Het recht op een raadsman tijdens een verhoor

Het recht op een raadsman tijdens een verhoor 6016 4016 Solange Drieshen

Van recht op een raadsman voorafgaand aan een verhoor tot recht op een raadsman tijdens een verhoor. De regels omtrent dit onderwerp hebben de afgelopen tien jaar steeds meer vorm gekregen.

Hoe zit het ook alweer?

Recht op een raadsman voorafgaand aan een verhoor

Op 27 november 2008 werd door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in het zogenoemde Salduz-arrest bepaald dat iedere aangehouden verdachte recht heeft op toegang tot een raadsman. De grondslag hiervoor is te vinden in artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waarin het recht op een eerlijk proces is neergelegd.

raadsman

Deze uitspraak houdt in dat de verdachte voortaan vóór aanvang van het verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat en hem hiertoe voorafgaand aan het verhoor ook de gelegenheid geboden moet worden. Indien deze regel niet wordt nageleefd is sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. In die situatie oordeelde de strafrechter dat de afgelegde verklaringen tijdens het verhoor niet als bewijs mogen worden gebruikt.

Voorbeeld

Op 9 mei 2017 deed de Hoge Raad uitspraak in een opmerkelijke zaak die teruggaat naar de periode rondom het Salduz-arrest.

In die zaak werd de verdachte veroordeeld wegens het feitelijk leidinggeven aan een rechtspersoon die over verschillende jaren opzettelijk onjuist of onvolledig aangiften omzetbelasting deed. Hierdoor werd, ten aanzien van deze rechtspersoon, uiteindelijk te weinig belasting geheven. Naar aanleiding hiervan werd verdachte verschillende malen, tot vijf keer toe, verhoord door de FIOD. Deze verklaringen zijn vervolgens als belastend bewijsmateriaal gebruikt tegen de verdachte zelf.

In eerste instantie lijkt hier niets aan de hand. Wil het niet dat de verdediging in hoger beroep heeft bepleit dat de verklaringen van de verdachte, die zijn afgelegd bij de FIOD, moeten worden uitgesloten van het bewijs. Dit omdat verdachte voorafgaand aan deze verhoren niet was gewezen op zijn recht op bijstand van een advocaat.

De verdediging doet hier een beroep op een vormverzuim waardoor bewijsuitsluiting dient te volgen.

Het Hof op zijn beurt stelt echter dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij bij zijn bij de FIOD afgelegde verklaringen blijft. Als er dus al sprake zou zijn van een vormverzuim – hetgeen het Hof in het midden laat – heeft de verdachte geen belang bij zijn verweer, aangezien hij de inhoud van die verklaring nadien als juist heeft erkend.

Met andere woorden, het feit of verdachte wel of niet is gewezen op zijn recht op het raadplegen van een raadsman voor zijn verhoren doet er volgens het Hof niet toe.

Het Hof lijkt er met dit argument aan voorbij te gaan dat er sprake is van een vormverzuim waardoor het bewijsmateriaal, namelijk de afgegeven verklaringen tijdens de verhoren, onbruikbaar zijn geworden. Dit is opmerkelijk en druist in tegen het gedachtegoed achter artikel 6 EVRM.

Zo oordeelt ook de Hoge Raad:

“door het verweer op deze grond te verwerpen en de bij de verhoren afgelegde verklaringen tot bewijs te bezigen geeft het Hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting”.

De Hoge Raad verwijst hierbij naar een gelijkluidende uitspraak uit 2010. Hierin oordeelt de Hoge Raad dat:

“Een verklaring die tot stand is gekomen in strijd met art. 6 EVRM, kan ook niet voor bewijs worden gebruikt indien de verdachte nadien, na raadpleging van een advocaat dan wel met bijstand van een advocaat, een verklaring heeft afgelegd van dezelfde inhoud en/of strekking. Door het verweer te verwerpen op de grond dat “verdachte – ook na 27 maart 2008 en met bijstand van zijn advocaat – zowel bij de politie als op de terechtzittingen van de rechtbank en het hof bekennende verklaringen heeft afgelegd” en bedoelde verklaring tot het bewijs te bezigen, heeft het Hof, (…), blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.”

Kortom: Het verweer van een verdachte mag niet zomaar worden verworpen. Het feit dat een verdachte eerder afgelegde verklaringen bevestigt doet hier niet aan af.

verhoor

Recht op een raadsman tijdens een verhoor

De uitspraak van de Hoge Raad van 9 mei 2017 ziet op de situatie waarin een verdachte de mogelijkheid geboden moet worden tot het raadplegen van een raadsman voorafgaand aan zijn verhoor.

De ontwikkelingen staan echter nooit stil. Sinds 1 maart 2016 heeft een verdachte namelijk ook recht op bijstand van een raadsman tijdens het verhoor.

Richtlijn

In 2013 is een EU-richtlijn uitgebracht die een gelijkwaardig niveau van rechtsbescherming binnen de lidstaten moet bevorderen. Hierin worden de minimumregels voor het recht op rechtsbijstand in strafprocedures uiteengezet. Uiterlijk 27 november 2016 moesten de EU-lidstaten deze regeling in de nationale wetgeving opgenomen hebben.

Vooruitlopend op de invoering van deze richtlijn scherpte de Hoge Raad in zijn uitspraak van 22 december 2015 al de regels betreffende het recht op bijstand van een raadsman aan. In deze uitspraak gaf de Hoge Raad aan er per direct vanuit te gaan dat een aangehouden verdachte recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens een verhoor. Naar aanleiding van dit arrest werd door de rechtspraktijk direct een beleid opgesteld dat was gebaseerd op dit arrest, het wetsvoorstel tot implementatie van de richtlijn en het daarbij behorende ontwerpbesluit. Dit beleid trad 1 maart 2016 inwerking.

Noodzakelijkheid

In zijn uitspraak van 22 december 2015 verwijst de Hoge Raad naar het arrest van 1 april 2014 waarin de regels betreffende het recht op bijstand van een raadsman reeds uiteen worden gezet.

De Hoge Raad stelt in dit arrest dat ondanks dat er nog geen wettelijke regeling inzake de verhoorbijstand bestaat, door het EHRM in een aantal gevallen toch al was beslist dat het ontbreken van bijstand met betrekking tot het verhoor van een verdachte onder omstandigheden moet worden aangemerkt als een schending van de rechten die een verdachte kan ontlenen aan artikel 6 EVRM.

Het EHRM had (nog) niet uitdrukkelijk vastgesteld dat onder alle omstandigheden sprake is van een dergelijke schending. Toch acht de Hoge Raad aanscherping van de regels betreffende het recht op bijstand van een raadsman in het kader van de rechtszekerheid noodzakelijk.

Met oog op bovenstaande gaat de Hoge Raad er sinds 1 maart 2016 vanuit dat een aangehouden verdachte recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens een verhoor door de politie, behoudens bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken. De verdachte dient voor de aanvang van het verhoor te worden gewezen op zijn recht op bijstand van een raadsman. Het recht op bijstand van een raadsman heeft niet alleen betrekking op het eerste verhoor, maar ook op de daaropvolgende verhoren.

In maart 2017 is de EU-richtlijn uit 2013 daadwerkelijk in de nationale wetgeving geïmplementeerd en is het beleid dat vanaf 1 maart 2016 gold komen te vervallen. Dit heeft geresulteerd in onder andere een aantal wijzigingen in het Wetboek van Strafvordering, Staatsblad 475 en 476, en een bijhorend uitvoeringsbesluit, het Besluit inrichting en orde politieverhoor. Hiermee wordt het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures geregeld.

Al met al heeft het recht op bijstand van een raadsman de afgelopen tien jaar aardig wat veranderingen doorgemaakt. Het valt toe te juichen dat de Hoge Raad mei 2017 opnieuw besliste dat het zo makkelijk nog niet is om aan een vormverzuim, bijvoorbeeld het niet wijzen op het recht op bijstand van een raadsman, voorbij te gaan.

Laatste update: 18 juni 2019
Publicatiedatum: 28 juni 2017