Kerstgedachte ….

Kerstgedachte …. 150 150 Borg Advocaten

De introductie van een rechterlijke toets van grote schikkingen

Het gebrek aan controle op met name hoge transacties vormt een punt van zorg. Het is gewenst dat de rechter ook in grote ontnemings- en fraudezaken een belangrijke controlerende en rechtsbeschermende taak vervult. Vergelijkbaar met de regeling in bijvoorbeeld Duitsland zou hierbij gedacht kunnen worden aan een machtiging of instemmingsvereiste bij transacties of schikkingen in bepaalde categorieën strafzaken of vanaf bepaalde opgelegde transactie- of schikkingsbedragen. Daarmee wordt de rechter in staat gesteld de rol te vervullen die binnen de rechtsstaat van hem wordt verwacht, te weten: toetsen, waarborgen, oordelen en uiteindelijk transparant en passend straffen. De Raad beveelt met klem aan hierin alsnog te voorzien.”

Vrome woorden, maar ze klinken wat hol na de publicatie in NRC Handelsblad van 3 december 2018 van bevindingen uit een intern onderzoek van het OM. Die bevindingen wijzen op een veel wezenlijker tekort in de rechtsbescherming: dat van de burger tegen de minst genomen wat losse praktijk van het OM rond het opleggen van strafbeschikkingen.

Sinds de invoering van de regeling inzake de strafbeschikking in 2008 zijn daar, zo begrijp ik, zo’n 300.000 van opgelegd. Het eigen onderzoek van het OM suggereert (of liever: bevestigt – er was in 2014 en 2015 al voor gewaarschuwd door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad en de Nederlandse Orde van Advocaten) dat daarbij het nodige misgaat. Burgers, mensen als u en ik, krijgen een sanctie opgelegd op basis van bewijs dat de rechterlijke toetsing vaak niet kan doorstaan; als dat lot u treft kunt u als u dat wilt naar de rechter, maar dat moet u dan wel weten (de uitleg op dit punt in de standaardbeschikking schiet ook in de ogen van het OM zelf tekort), en u moet snel zijn, want u heeft maar 14 dagen. Staat de beschikking eenmaal vast, dan krijgt u er een strafblad bij cadeau. In een samenleving waarin overlegging van een verklaring omtrent gedrag bijna een standaard vereiste is voor sollicitaties, is dat wat de Engelsen adding insult to injury noemen.

Helemaal onverwacht was het allemaal niet, zo begrijp ik uit een openhartig interview met mevrouw Broekers-Knol, voormalig voorzitter van de Eerste Kamer en destijds woordvoerder justitie voor de VVD, in NRC (18-12-18): zij voorzag al bij behandeling van het wetsvoorstel in 2005 een “„onaanvaardbare machtsconcentratie bij het OM”. Vervolging, berechting en bestraffing, zonder controle en zonder motivering, zou leiden tot „wantrouwen in de rechtsstaat””. Maar zoals wel vaker de afgelopen decennia, won efficiency het van fundamenteler overwegingen: „Het rechtsstelsel stagneerde enorm, er moest iets gebeuren. We dachten: als officieren die makkelijke zaken zo kunnen wegwerken, dan helpt dat.” Toezeggingen van de minister die zorgvuldig gebruik van de strafbeschikking moesten verzekeren zijn niet nagekomen, en van het een kwam het ander.

Strafbeschikking

Het citaat waarmee ik dit blog opende komt uit een brief van de Raad voor de Rechtspraak uit juli van dit jaar over de voorgenomen herziening van delen van het Wetboek van Strafvordering. Een kloek epistel van 121 pagina’s, waarin het pleidooi voor rechterlijk toezicht op “megaschikkingen” een aantal keren wordt herhaald. Een fundamentele stellingname over de (praktijk rond) de strafbeschikking ontbreekt in de brief. Een eerdere stellingname, in een brief van de Raad uit april 2015, is voorzichtig te noemen, en veegt bovendien groot en klein, appels en peren, op een hoop:

 “De beweging naar voren heeft al tot gevolg gehad dat de rechter in veel strafzaken niet meer betrokken is. Die (politieke) keuze heeft een keerzijde. Zo bestaan binnen de Rechtspraak zorgen over de kwaliteit van waarheidsvinding en de toepassing van het materiële strafrecht in zaken die leiden tot een strafbeschikking. De vraag rijst of voor een adequate strafrechttoepassing niet meer ‘checks and balances’ nodig zijn, bijvoorbeeld in de vorm van rechterlijke betrokkenheid bij de afdoening, hetgeen ook op een minder formele leest en zonder terechtzitting zou kunnen worden vormgegeven. Zorgen bestaan ook ten aanzien van de schikkingenpraktijk in grote ontnemings- en fraudezaken. De Raad adviseert u om op dit vlak de mogelijkheid en wenselijkheid van rechterlijke toetsing en betrokkenheid te onderzoeken en is graag bereid daarover mee te denken.”

In een brief van juli 2017 (waarin de Raad wederom met kracht pleit voor rechterlijk toezicht op megaschikkingen) verwijst de Raad naar die eerdere stellingname, en verbindt hij daaraan ten aanzien van de strafbeschikking de conclusie dat het in het licht van door de Raad gesignaleerde knelpunten verstandig lijkt te wachten met de uitbreiding van de strafbeschikkingsregeling. Het instituut zelf staat, zo begrijp ik, voor de Raad niet ter discussie.

Dit is een tijd van gele hesjes, van veel (beleden) zorg over kloven tussen burgers en de instituties die over hen waken. Het kan aan mij liggen, maar ik denk dat de NRC nauwkeuriger signaleert waar die kloof ligt dan de Raad (en de Kamer, die inmiddels aandringt op een wettelijke regeling rond megaschikkingen). Megaschikkingen zijn juridisch interessant, maar de praktijk ter zake kent geen gat in de rechtsbescherming, zoals ik in een eerder dit jaar verschenen artikel heb uitgelegd. Strafbeschikkingszaken zijn in juridisch niet sexy, maar kennen een bewezen juridisch tekort. Of iets anders geformuleerd: rechtspersonen die megaschikkingen aangaan hebben rechtsbijstand en een keuze, de burger die een strafbeschikking krijgt opgelegd ontbeert vaak allebei.

Als rechterlijk toezicht een schaars goed is – en dat is het in de huidige maatschappij – ligt het voor de hand die te bieden aan wie hem het hardste nodig heeft. Wie weet, beantwoordt dat bovendien aan een werkelijke maatschappelijke vraag. Een mooie gedachte voor onder de boom: ik wens u een fijne kerst.

Heeft u een vraag naar aanleiding van dit artikel? Neem dan contact op met Sandro Rigutto.