Nederland schendt art. 6 EVRM – niet horen van getuigen in uitkeringszaak

Nederland schendt art. 6 EVRM – niet horen van getuigen in uitkeringszaak 150 150 Pieter Huisman

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft op 15 maart 2016 geoordeeld dat Nederland artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) heeft geschonden in een uitkeringszaak. De zaak Gillissen tegen Nederland betrof de klacht dat geen getuigen zijn gehoord in een bestuursrechtelijke beroepsprocedure over een zaak betreffende een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

De klager was gedurende meer dan dertig jaar politieman. In 1996 werd hij ontslagen wegens arbeidsongeschiktheid en aan hem werd een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) toegekend. Hij kreeg toestemming om aanvullend inkomen te verwerven als zelfstandig stress management trainer. Toen werd vastgesteld dat hij meer had verdiend dan normaal gesproken was toegestaan, werd een bestuursrechtelijke procedure tegen hem gestart en hij kreeg de plicht opgelegd het te veel ontvangen bedrag van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering terug te betalen. In de bestuursrechtelijke procedure, in de fasen van bezwaar bij het UWV, beroep bij de Rechtbank Roermond en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, betoogde de klager dat een ambtenaar hem in 1998 toestemming had gegeven om aanvullend inkomen te verwerven boven de gebruikelijke maximumgrens. Deze afspraak zou zijn gemaakt in aanwezigheid van een andere ambtenaar. Het idee was financiële reserves op te bouwen die hem in staat zouden stellen te leven van zijn eigen inkomen en geleidelijk zijn afhankelijkheid van een uitkering af te bouwen. Er is geen schriftelijke vastlegging van een zodanige afspraak gevonden. Gelet daarop oordeelden het UWV en de bestuursrechtelijke gerechten dat er geen afspraak zou zijn gemaakt. Op 21 november 2006 werd het beroep van klager door de Rechtbank Roermond verworpen. Op 30 januari 2009 bleef deze uitspraak in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep in stand.

Parallel met de bestuursrechtelijke procedures werd de klager strafrechtelijk vervolgd wegens uitkeringsfraude. Op 16 mei 2007 sprak het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch de klager vrij, waarbij het Gerechtshof oordeelde dat het aannemelijk was dat er een afspraak tussen de klager en de sociale zekerheidsambtenaar tot stand was gekomen.

Op 27 juli 2009 diende Gillissen een verzoekschrift in bij het EHRM. Hij beriep zich daarin op artikel 6, eerste lid, EVRM (het recht om gehoord te worden). Hij betoogde dat hij geen mogelijkheid had gekregen om getuigen op te roepen in de bestuursrechtelijke procedures.

Het Hof stelt in zijn uitspraak voorop dat een gerecht op grond van artikel 6, eerste lid, EVRM de verplichting heeft om de door de procespartijen aangevoerde stellingen, argumenten en bewijsmiddelen te onderzoeken. Het Hof overweegt dat gerechten weliswaar niet verplicht zijn redenen te geven voor het afwijzen van elk argument van een procespartij, maar wel de verplichting hebben om de belangrijkste punten van een procespartij te onderzoeken en daarop te reageren.

Het Hof merkt op dat artikel 6, eerste lid, EVRM niet expliciet het recht garandeert om getuigen op te roepen of andere bewijsmiddelen in te brengen in civielrechtelijke procedures (‘civil proceedings’). Wel moet een beperking om een getuige op te roepen of een ander bewijsmiddel in te brengen in overeenstemming zijn met het ‘recht om gehoord te worden’ zoals vastgelegd in artikel 6, eerste lid, inclusief ‘the principle of equality of arms’.

Het Hof overweegt dat de eisen die voortvloeien uit ‘het recht om gehoord te worden’ (‘right to a fair hearing’) in civielrechtelijke procedures (‘civil proceedings’) niet gelijk zijn aan de eisen die uit dit recht voortvloeien in strafrechtelijke procedures. Dit volgt uit het afwezig zijn van bepalingen zoals artikel 6, tweede lid, en derde lid, EVRM, die niet van toepassing zijn op civielrechtelijke procedures en wel op strafrechtelijke procedures. Het Hof wijst erop dat sommige beginselen met betrekking tot het concept van ‘fair hearing’ voortkomen uit zijn jurisprudentie. Het Hof overweegt dat voor de onderhavige zaak van belang is dat de eis van ‘equality of arms’, in de betekenis van een ‘eerlijk evenwicht’ (‘fair balance’), tussen de partijen, in beginsel in civielrechtelijke procedures evenzeer geldt als in strafrechtelijke procedures.

Ten aanzien van de onderhavige zaak merkt het Hof op dat de Centrale Raad van Beroep het beroep door de klager op de mondelinge afspraak tussen hem en de ambtenaar niet heeft afgedaan als irrelevant, maar heeft geoordeeld dat het bestaan van de afspraak niet was onderbouwd.

Het Hof overweegt dat, hoewel sociale zekerheidsrechten worden bepaald volgens wetgeving en beleid, het zich niet kan voorstellen dat de Centrale Raad van Beroep ervan zou worden afgehouden te beslissen in het voordeel van de klager, als vastgesteld zou zijn dat de afspraak, zoals gesteld door de klager, zou bestaan. Het Hof merkt op dat de Nederlandse regering geen nationale jurisprudentie heeft overgelegd die een zodanig standpunt zou ondersteunen. Het Hof overweegt dat reeds om deze reden artikel 6, eerste lid, EVRM eiste dat de Centrale Raad van Beroep het aanbod van de klager om getuigenbewijs in te brengen niet onbeantwoord zou laten.

In aanvulling daarop merkt het Hof op dat het Gerechtshof van ’s-Hertogenbosch de klager heeft vrijgesproken van fraude, oordelend dat het aannemelijk was gemaakt dat er een afspraak tot stand was gekomen tussen de klager en de ambtenaar. Het Hof erkent dat, zoals gesteld door de Nederlandse regering, de beoordeling van bewijsmiddelen in strafrechtelijke procedures anders is dan in bestuursrechtelijke procedures. Toch is de betekenis van het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de motivering waarop dit arrest is gebaseerd zodanig dat de beslissing van de Centrale Raad van Beroep om dit arrest te negeren om een uitleg vroeg.

Het Hof overweegt dat het niet instemmen met het verzoek van de klager om de twee ambtenaren als getuigen te horen de klager in een benadeelde positie heeft geplaatst ten opzichte van de wederpartij. Gelet hierop oordeelt het Hof dat er een schending is van artikel 6, eerste lid, EVRM.

BRONNEN

EHRM 15 maart 2016, Gillissen t. Nederland, nr. 39966/09.