Verbod van dubbele bestraffing voor hetzelfde feit

Verbod van dubbele bestraffing voor hetzelfde feit 150 150 Pieter Huisman

Iemand kan niet tweemaal worden bestraft voor hetzelfde feit. De Hoge Raad geeft uitleg wanneer sprake is van ‘hetzelfde feit’.

Casus

Een marktkoopman met twee marktkramen is in de periode 13 september 2011 en 20 oktober 2011 geobserveerd door de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD). Geconstateerd werd dat twee personen werkzaamheden voor hem verrichtten terwijl zij niet beschikten over een tewerkstellingsvergunning en zij zich niet legaal in Nederland bevonden.

De minister van SZW heeft de marktkoopman twee boetes van € 4.000,- opgelegd voor een overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav). Ingevolge artikel 2 van de Wav is het een werkgever namelijk verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder een daartoe strekkende tewerkstellingsvergunning. Daarnaast bleken de twee personen zich illegaal in Nederland te bevinden. Hiervoor werd de marktkoopman op grond van de artikelen 197a (mensensmokkel) en 197b (arbeid doen verrichten door illegalen) van het Wetboek van Strafrecht gedagvaard bij de politierechter.

‘Hetzelfde feit’?

In deze zaak staat de vraag centraal of de oplegging van de bestuurlijke boetes de strafvervolging in de weg staat. Iemand kan namelijk niet tweemaal worden bestraft voor hetzelfde feit (ook wel: het ne bis in idem-beginsel, gelegen in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht).

Het stond niet ter discussie dat de feitelijke gedragingen ter zake waarvan is beboet enerzijds en waarvoor werd vervolgd anderzijds, niet verschillen. Het staat vast dat het gaat om één en hetzelfde feitencomplex. In het voorliggende geval draait het echter om de juridische aard van de feiten.

Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt ten aanzien van het ten laste gelegde op grond van het Wetboek van Strafrecht dat het daarin beschermde rechtsgoed niet dermate verschillend is van artikel 2 Wav, dat niet mag worden gesproken van ‘hetzelfde feit’. Immers, aldus het hof, deze bepalingen zien (onder meer) op het bestrijden van de tewerkstelling van illegale vreemdelingen en deze bepalingen kunnen worden bezien als onderdeel uitmakend van het vreemdelingenbeleid en de uitvoering daarvan. Het hof meent dat de juridische aard van de feiten niet ‘dermate verschillend’ is dat daardoor een ander oordeel moet worden gegeven en stelt dat sprake is van ‘hetzelfde feit’. Het verwijst hierbij naar het door dit hof eerder gewezen arrest uit 2014. Het hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de marktkoopman.

De Hoge Raad oordeelt echter anders ten aanzien van de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’. Hij volgt de AG in zijn conclusie dat het verschil in rechtsgoederen die met de delictsomschrijvingen worden beschermd aanzienlijk is en dermate groot dat geen sprake kan zijn van ‘hetzelfde feit’. De Hoge Raad wijst hierbij op de wetsgeschiedenis bij artikel 2 Wav, waaruit blijkt dat bij dit artikel economische ordening vooropstaat. Daar tegenover staat dat de artikelen 197a en 197b van het Wetboek van Strafrecht zijn opgenomen onder ‘Misdrijven tegen het openbaar gezag’. In deze artikelen gaat het om vergrijpen die het beleid om illegaal verblijf in Nederland tegen te gaan frustreren en een acute gevaarzetting opleveren voor de publieke kas.

Ook noemt de Hoge Raad het verschil in de bedreigde straf als belangrijke maatstaf; in het commune strafrecht is langdurige vrijheidsstraf op de voorliggende feiten gesteld, in de Wav betreft het uitsluitend een veelvoud van de op de overtreding gestelde geldboete: in deze zaak waren immers twee vreemdelingen betrokken.

Conclusie

Kortom, in het onderhavige geval dienen bij toetsing of sprake is van ‘hetzelfde feit’ de in de  tenlastelegging en het boeterapport omschreven verwijten te worden vergeleken. Daarbij moet volgens de Hoge Raad een aantal gegevens als relevante vergelijkingsfactoren worden betrokken:
  • (a) de juridische aard van de feiten, waaronder de rechtsgoederen waarop de wettelijke delictsomschrijvingen toezien en de maximale straf of boete die op de voorliggende feiten is gesteld;
  • (b) de gedragingen van de verdachte. Hierbij dient gekeken te worden naar de aard, plaats en omstandigheden van de gedragingen. Hiermee herhaalt de Hoge Raad zijn eerdere arrest uit 2011.

De Hoge Raad komt in de voorliggende zaak tot de conclusie dat niet sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht en is van oordeel dat het hof het Openbaar Ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Kort en goed, in deze zaak levert de strafvervolging na de opgelegde bestuurlijke boetes geen dubbele bestraffing op omdat de Hoge Raad oordeelt dat niet sprake is van ‘hetzelfde feit’. Opmerkelijk is dat de Hoge Raad de gedraging van de verdachte (zie (b)) niet heeft betrokken bij beantwoording van de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’, maar uitsluitend de nadruk legt op de juridische aard van de feiten.

hetzelfde feit dubbele bestraffing hetzelfde feit dubbele bestraffing

 

 

 

 

 

Pieter Huisman                        Solange Drieshen

Advocaten strafrecht